Doorgaan naar hoofdcontent

Uitgelicht

De verdwijning van mijn witte Volkswagen Kever

De verdwijning van mijn witte Volkswagen Kever Een auto, een oom en een nogal bijzondere afwikkeling Een Kever met karakter In mijn vorige verhaal vertelde ik over mijn eerste auto, een witte Volkswagen Kever. Een auto die mij in mijn jonge jaren de vrijheid gaf om naar de Grafische MTS in Amsterdam te rijden, op zaterdag naar mijn baantje in Zaandam te gaan en zo nu en dan zonder enige bestemming achter het stuur te kruipen. Het was een Volkswagen Kever uit 1968, uitgerust met een elektrisch systeem van zes volt. Tegenwoordig klinkt dat misschien alsof je een museumstuk probeert te starten, maar destijds was het gewoon mijn auto. En daar was ik best trots op. Ik had er heel wat aan gesleuteld. Want een auto van die leeftijd heeft zo zijn gebruiksaanwijzingen, al staan die niet altijd in een boekje. Soms ontdek je ze vanzelf, meestal op een moment dat het je helemaal niet uitkomt. Ook mijn Kever ontkwam niet aan de tand des tijds. De slijtage begon zich te manifesteren en op een gegeve...

Zes weken klussen: een les die ik niet snel vergeet (update)

Zes weken klussen en nu even helemaal niets

Is het vandaag woensdag? In mijn hoofd kan het inmiddels net zo goed dinsdag, vrijdag of ergens halverwege november zijn. De afgelopen twee dagen zijn in ieder geval voorbijgevlogen. En als iemand mij vraagt wat ik precies heb gedaan, moet ik eerlijk zijn: eigenlijk helemaal niets.

Nou ja, niets is ook weer zo'n groot woord.

De dagelijkse dingen zijn gewoon gedaan. Er is gegeten, gedronken, het huishouden heeft zich niet volledig tegen mij gekeerd en vermoedelijk heb ik hier en daar nog iets nuttigs uitgevoerd. Maar geklust? Nee.

Geen stenen versjouwd. Geen gereedschap ter hand genomen. Geen ambitieus plan uitgevoerd dat halverwege veranderde in een nog ambitieuzer probleem.

En eerlijk gezegd beviel dat uitstekend.

Mijn lichaam had blijkbaar andere plannen

Ik ben de afgelopen week namelijk een partij moe geweest. Echt moe.

Niet het soort moe waarbij je denkt: ik ga vanavond lekker vroeg naar bed. Nee, het soort moe waarbij je overdag al denkt dat een bed een buitengewoon aantrekkelijk meubelstuk is.

Ik zou zo weer kunnen slapen.

Gewoon naar boven lopen, onder de dekens kruipen, ogen dicht en klaar. Alsof mijn lichaam na weken van fysieke arbeid eindelijk een vergadering heeft belegd en unaniem heeft besloten dat het nu tijd wordt voor onderhoud.

En misschien heeft het daar ook wel gelijk in.

Want terwijl ik de afgelopen weken vooral bezig was met wat er nog moest gebeuren, begin ik nu pas een beetje te beseffen hoeveel werk het eigenlijk is geweest.

Vier weken? Vergeet het maar

Ik heb er nog eens over nagedacht hoelang ik nou eigenlijk bezig ben geweest.

Eerst dacht ik: een week of vier.

Dat klonk al behoorlijk.

Vier weken achter elkaar bezig zijn met een klusproject is tenslotte niet niks. Je begint ergens vol goede moed, hebt een plan, koopt materiaal en denkt dat je precies weet waar je aan begint.

Maar hoe langer ik erover nadenk, hoe minder houdbaar die vier weken worden.

Het zijn er geen vier.

Het zijn er zes.

Zes weken.

Dat klinkt ineens heel anders.

Zes weken waarin stenen zijn aangeschaft, verplaatst, verwerkt en uiteindelijk ergens onderdeel van het geheel zijn geworden. En juist aan die stenen kan ik het zien. Als ik terugkijk naar wat er inmiddels ligt, is het bijna alsof ik mijn eigen agenda in steen kan aflezen.

Hier was ik nog enthousiast.

Daar begon ik mij af te vragen waarom ik hier eigenlijk aan begonnen was.

En verderop deed ik waarschijnlijk alsof ik nog precies wist hoeveel werk het allemaal zou worden.

De grandeur van het eigen klusplan

Het mooie van een klusproject is dat je vooraf altijd een soort grandeur hebt.

Je ziet het eindresultaat al voor je.

Alles netjes. Alles afgewerkt. Alles precies zoals je het bedacht hebt.

Je staat aan het begin met een hoofd vol plannen en een lichaam dat nog denkt dat het allemaal wel meevalt.

En dan begin je.

Een paar dagen later blijkt dat het ene klusje het andere klusje heeft meegenomen. Vervolgens blijkt dat je voor dat tweede klusje iets nodig hebt wat je niet hebt. Daarvoor moet je naar de winkel. In de winkel zie je nog iets wat eigenlijk ook wel handig zou zijn.

En voor je het weet ben je zes weken verder.

Zo werkt dat dus.

De volgende keer doe ik het anders

Mijn streven is daarom duidelijk: niet zo lang meer achter elkaar klussen.

Dat is het officiële beleid.

Een paar dagen werken, een paar dagen rust. Niet iedere keer denken dat het nu eindelijk af moet. Niet telkens weer een extra stukje aanpakken omdat je toch bezig bent.

Een mens moet tenslotte ook een beetje mens blijven.

Maar goed.

Wij kennen ons.

Dus waarschijnlijk zit ik over een tijdje weer ergens met gereedschap in mijn handen, kijk ik naar een nieuw project en denk ik:

Dat valt best mee. Dat doe ik wel even.

En ergens achter mij zal mijn vermoeide lichaam waarschijnlijk zachtjes beginnen te lachen.

Een goede leerschool

Toch was het een goede leerschool.

Niet alleen omdat ik nu weet hoeveel werk zo'n project werkelijk kan zijn, maar vooral omdat ik heb ervaren waar mijn grenzen liggen. Je kunt jezelf wekenlang wijsmaken dat het allemaal nog prima gaat, totdat je op een ochtend wakker wordt en denkt dat slapen eigenlijk een heel aantrekkelijk levensdoel is.

De komende dagen hoeft er van mij dan ook niet zo nodig iets groots te gebeuren.

De stenen blijven liggen.

Het gereedschap kan blijven rusten.

En ik waarschijnlijk ook.

Want na zes weken klussen is nietsdoen ineens geen verloren tijd meer.

Het is onderdeel van het project.

Misschien wel het belangrijkste onderdeel.

En mocht ik dat over een paar weken weer vergeten zijn, dan heb ik gelukkig de stenen nog.

Die liegen tenminste niet.

Reacties