Uitgelicht

Van mirabellen tot pruimen: onze zelfgemaakte jam

 Van mirabellen tot pruimen: twee dagen jam maken

Een boomgaard vol zoet fruit

Nadat we in Nederland waren geweest, zijn we nog naar de boomgaard gegaan. En daar wachtte ons een klus waar je eigenlijk maar moeilijk nee tegen kunt zeggen: fruit plukken.

Mirabellen en pruimen, zoveel als we maar konden meenemen.

Uiteindelijk kwamen we thuis met ongeveer 8 kilo mirabellen en 4 kilo pruimen. Een behoorlijke hoeveelheid fruit dus. Genoeg om een flinke voorraad jam van te maken. Althans, dat dachten we toen nog.

Want voordat je van zo'n berg fruit een potje jam hebt, moet er eerst nog het nodige gebeuren.

Vooral bij de mirabellen is er één ding waar je niet omheen kunt: de pitten moeten eruit.

En dat zijn er nogal wat.

Pitten eruit en koken maar

We zijn inmiddels al twee dagen bezig met jam maken. De keuken is langzaam veranderd in een soort kleine jamfabriek. Fruit schoonmaken, pitten verwijderen, koken, roeren, potjes uitkoken, deksels klaarzetten en ondertussen vooral proberen niets om te gooien.

Bij de mirabellen doen we er suiker bij, maar ook sinaasappelsap en de zest van een sinaasappel.

Die sinaasappel doet iets moois met de jam. Hij maakt de smaak lekker fris en geeft de zoete mirabellen net dat kleine zetje waardoor het allemaal wat spannender wordt.

En omdat we toch bezig zijn, gooien we er ook een vanillestokje bij.

De pan begint langzaam te pruttelen. Het fruit valt steeds verder uit elkaar en de geur die uit de keuken komt, maakt het ondertussen steeds moeilijker om nog te wachten.

Je weet op zo'n moment al: dit gaat straks heerlijk worden.

De keuken wordt steeds warmer

Buiten wordt het ondertussen ook weer lekker warm.

Niet bepaald ideaal wanneer er binnen een grote pan kokende jam op het fornuis staat.

De temperatuur in de keuken stijgt gestaag. Buiten zomer, binnen tropische jamomstandigheden.

Maar stoppen is geen optie.

De potjes moeten worden uitgekookt en ook de deksels moeten schoon en klaar zijn. En dan komt het moment waarop je vooral moet opschieten.

Want jam heeft een eigenaardige eigenschap: zolang je hem in de pan hebt, lijkt hij prima vloeibaar. Maar zodra hij begint af te koelen, kan hij ineens een stuk dikker worden.

En probeer dan maar eens netjes een potje te vullen.

Dus: hete jam, hete potjes, hete deksels en vooral heel voorzichtig werken.

Want die potjes zijn echt kokend heet.

Dat hebben we inmiddels zelf mogen ervaren. Al twee keer heb ik een heet potje in mijn handen gehad waarbij je meteen denkt: ja, dit is inderdaad heet.

Heel heet zelfs.

Hoeveel potjes hebben we eigenlijk?

En dan is er nog het eeuwige probleem bij jam maken: hoeveel potjes heb je nodig?

Daar zijn wij blijkbaar niet zo goed in.

De vorige keer hadden we te veel potjes.

Deze keer waarschijnlijk te weinig.

Je zou denken dat je na een paar keer jam maken inmiddels wel kunt inschatten hoeveel potjes er nodig zijn. Maar blijkbaar is een berg fruit omrekenen naar een hoeveelheid potjes jam een soort wiskunde waar wij nog geen diploma voor hebben.

Op het moment dat ik achteraf eens begin te tellen, komen we uit op behoorlijk wat potjes.

De eerste soort staat al op 14 potjes.

De tweede soort zal waarschijnlijk rond de 13 potjes uitkomen.

En dan hebben we als laatste nog de pruimen. Daar verwachten we ongeveer 6 potjes van.

Bij elkaar dus ergens rond de 33 potjes.

En dan denk je toch even: waar zijn al die potjes ineens gebleven?

Deksels! Bijna vergeten...

Terwijl we druk bezig zijn met vullen, schoonmaken en klaarzetten, is er natuurlijk nog iets wat je absoluut niet mag vergeten.

De deksels.

Deksels.

Bijna vergeten.

Want een potje jam zonder goed deksel is natuurlijk een beetje alsof je een jas aantrekt en de rits vergeet.

Dus ook die liggen inmiddels klaar.

De gevulde potjes zetten we voorzichtig op tafel. Daar mogen ze rustig afkoelen.

En dan begint het wachten.

Af en toe hoor je ineens een klein geluidje.

Plop.

Dat is geen potje dat uit elkaar springt. Gelukkig maar.

Het is het moment waarop het potje vacuüm trekt.

We luisteren er inmiddels bijna naar alsof het een soort jamconcert is. Plop hier, plop daar. Weer eentje klaar.

Nu wachten op het lekkerste moment

Als alle potjes eenmaal gevuld zijn, begint eigenlijk het moeilijkste gedeelte.

Wachten.

De jam moet eerst helemaal koud worden voordat we echt kunnen gaan proeven. En juist dat maakt het spannend.

Want hoe smaakt hij uiteindelijk?

De mirabellen met sinaasappel en vanille klinken veelbelovend. De pruimenjam heeft weer zijn eigen diepe, zoete fruitsmaak.

Tot nu toe zijn we in ieder geval absoluut niet teleurgesteld.

Maar de echte test komt pas wanneer de potjes koud zijn.

Dan pak je een klein stukje brood.

Niet te groot.

Gewoon precies genoeg.

Daar komt een flinke lepel jam op.

En dan proef je.

Eerst het fruit. Dan de zoetigheid. Misschien de frisse sinaasappel. En ergens op de achtergrond die zachte hint van vanille.

En ineens snap je weer waarom je urenlang pitten hebt zitten verwijderen.

Waarom je met een hete pan in een warme keuken hebt gestaan.

Waarom je te weinig potjes hebt klaargezet.

Waarom je twee keer bijna je vingers aan een heet potje hebt verbrand.

Omdat zelfgemaakte jam gewoon ontzettend lekker is.

Een voorraad waar je trek van krijgt

En daar staan ze dan: rij na rij potjes zelfgemaakte jam.

Mirabellenjam, pruimenjam, potjes gevuld met de smaak van een paar dagen plukken, koken, roeren en wachten.

Je kijkt ernaar en denkt meteen aan ontbijt.

Een boterham.

Een croissant.

Een beschuitje.

Misschien gewoon een lepeltje rechtstreeks uit de pot, want ja, dat kan natuurlijk ook.

En voor je het weet, zit je alweer te bedenken wat er morgen op je brood gaat.

Want één ding is zeker: als je eenmaal zelf jam hebt gemaakt, smaakt een gewone boterham ineens verdacht veel lekkerder.

Reacties