Regen in Montcourt
Een dag die niets bijzonders beloofde
Er zijn dagen waarop je denkt dat je de natuur eindelijk een beetje begrijpt. Je kijkt 's morgens naar de lucht, ziet een strakblauwe hemel zonder ook maar een verdwaalde wolk en zegt met de zekerheid van iemand die er geen verstand van heeft: "Vandaag blijft het droog." Dat is hetzelfde soort zelfvertrouwen als een beginnende schaker die na drie zetten denkt dat hij de wereldkampioen mat gaat zetten. De natuur laat je rustig uitpraten en glimlacht vervolgens meewarig. lees ook:
Zo begon deze dag in Montcourt.
De zon stond al vroeg hoog boven de heuvels. Het licht streek als vloeibaar goud over de boomgaard. De bladeren glansden, de zwaluwen schoten laag over het erf en ergens in de verte bromde een tractor onverstoorbaar zijn rondjes. Dat geluid hoort hier net zo vanzelfsprekend bij als de haan die veel te vroeg denkt dat de wereld op hem zit te wachten.
Ik stond in de schuur. Niet omdat ik daar per se wilde zijn, maar omdat een schuur op het platteland een magische aantrekkingskracht heeft. Er is altijd iets te doen. Of beter gezegd: er is altijd iets waarvan je jezelf kunt wijsmaken dat het vandaag echt moet gebeuren.
De schuur als museum van goede bedoelingen
Een schuur is geen opslagruimte, maar een museum van goede bedoelingen. Oude planken waarvan je zeker weet dat ze ooit nog van pas komen. Potjes met schroeven die zich in de loop der jaren hebben ontwikkeld tot een metalen hutspot. Verfblikken waarvan de kleur allang niet meer overeenkomt met het etiket. En ergens achterin staat steevast een apparaat waarvan niemand meer weet waarvoor het ooit diende, maar weggooien durf je ook niet.
Ik was zogenaamd aan het opruimen.
Dat klinkt daadkrachtig.
In werkelijkheid verplaatste ik spullen van de ene hoek naar de andere. Af en toe deed ik een stap achteruit, keek tevreden om me heen en dacht: Zo, dat ziet er een stuk beter uit.
Tien minuten later wist ik alleen niet meer waar ik iets had neergelegd.
Opruimen is een talent dat ik enorm bewonder bij anderen. Bij mij lijkt het meer op een archeologische opgraving. Alles wat ik verplaats, brengt weer drie andere vergeten voorwerpen aan het licht.
Een vreemd geluid
Terwijl ik tussen mijn zorgvuldig gekoesterde chaos stond, hoorde ik ineens een vreemd geluid.
Tik.
Nog een tik.
En weer.
Niet hard.
Niet zacht.
Precies hard genoeg om nieuwsgierig te worden.
Mijn eerste gedachte was uiteraard niet dat het regende. Nee, mijn hoofd begon onmiddellijk aan een complete rampencatalogus. Een marter onder het dak. Een losgeraakte dakpan. Een wespennest. Of, nog erger, iets dat gerepareerd moest worden.
Ik liep naar de deuropening.
Weer dat getik.
Toen keek ik beter.
Regen.
Hé...
Zie ik dat nou goed?
Regen.
Niet zo'n aarzelend buitje dat je nauwelijks voelt, maar grote, volle druppels die met overtuiging uit de lucht kwamen vallen.
Operatie: Red de tuinkussens
Mijn eerste gedachte was niet poëtisch.
De tuinkussens!
Natuurlijk lagen die nog buiten.
Dat is een natuurwet. Tuinkussens trekken regen aan. Ze kunnen wekenlang probleemloos buiten liggen, maar zodra jij denkt: Ach, dat kan morgen ook wel, verschijnt er precies boven jouw tuin een wolkje met een missie.
Ik zette het op een lopen.
Niet elegant.
Meer een kruising tussen hardlopen, struikelen en paniekvoetbal.
Ik griste twee kussens onder mijn arm, een derde balanceerde op mijn schouder en het vierde besloot onderweg zelfstandig naar de grond te vertrekken.
Bij het bukken stootte ik mijn hoofd tegen de armleuning van de stoel.
Ik mompelde iets dat gelukkig alleen de merels konden verstaan.
Met een onhandige stapel kussens voor mijn neus strompelde ik terug naar de schuur. Ik moet eruit hebben gezien als een overbeladen pakezel die zijn pensioen allang had verdiend.
Missie geslaagd.
Tenminste...
Dat dacht ik.
Warme regen uit een zomerlucht
Toen ik weer naar buiten liep, bleef ik vanzelf stilstaan.
Ik voelde de regen op mijn armen.
Warm.
Niet lauw.
Niet fris.
Gewoon warm.
Dat blijft iets wonderlijks. Je verwacht regen als een koude douche uit de hemel, maar dit voelde alsof de zomer zelf besloot even een emmer water leeg te gooien.
Ik stak mijn hand uit.
De druppels waren groot en zwaar. Iedere druppel spatte uiteen op de droge aarde en leek precies te weten waar hij moest zijn.
De geur die je niet kunt kopen
En toen kwam die geur.
Die geur van droge aarde die eindelijk water krijgt.
Geen parfum ter wereld kan dat maken.
Alsof de grond diep ademhaalt.
Alsof de bomen opgelucht zuchten.
Alsof alles wat wekenlang geduldig heeft gewacht eindelijk krijgt waar het naar verlangde.
Ik keek naar de moestuin.
De bonen stonden rechterop.
De courgettes leken zich uit te rekken.
Zelfs de tomaten zagen er ineens opgewekter uit.
Daarachter lag de boomgaard. Het regenwater liep langzaam langs de bladeren naar beneden. De bomen leken de bui zwijgend in ontvangst te nemen, zoals alleen oude bomen dat kunnen.
Op zulke momenten krijg je het vreemde idee dat de natuur helemaal geen haast kent.
Alleen wij mensen hebben agenda's.
Een buitje voor het stof
Terwijl ik daar stond, hoorde ik in gedachten de stem van mijn vader.
Hij zou naar de lucht hebben gekeken, één keer geknikt en gezegd hebben:
"Mooi... een buitje voor het stof."
Meer woorden waren niet nodig.
Geen uitgebreide analyse.
Geen weersverwachting.
Geen klimaatdiscussie.
Gewoon een buitje voor het stof.
Hoe ouder ik word, hoe vaker ik merk dat zulke eenvoudige opmerkingen eigenlijk complete levenslessen zijn.
Want inderdaad.
Het stof verdwijnt.
De bladeren worden schoon.
De lucht wordt helder.
Zelfs de oude stenen muur langs het erf lijkt ineens een paar jaar jonger.
Regen is Pokon voor distels
Maar zoals zo vaak duurt mijn romantische stemming precies lang genoeg om plaats te maken voor de werkelijkheid.
De distels.
Natuurlijk.
Water werkt op distels zoals Pokon op kamerplanten.
Sterker nog, ik verdenk ze ervan dat ze een eigen weerstation hebben.
Zodra de eerste druppels vallen, steken ze hun stekelige koppen bij elkaar.
"Mannen, het is zover."
"Vanavond allemaal vijf centimeter groeien."
"Morgen nemen we de moestuin over."
Alles wat ik graag zie groeien, neemt uitgebreid de tijd.
Een tomaat denkt eerst drie dagen na voordat hij iets roder wordt.
Een appel rijpt rustig verder.
Maar een distel?
Die kijkt even om zich heen en besluit nog vóór de lunch twintig centimeter hoger te staan.
De veldslag van morgen
Ik zie mezelf morgen al.
Gewapend met de schoffel.
Vol goede moed.
Nog rechtop.
Na tien minuten loop ik al iets krommer.
Na twintig minuten begin ik hardop tegen mezelf te praten.
Na een half uur onderhandel ik met het onkruid.
"Als jullie nou alleen achterin blijven staan..."
Na drie kwartier besluit ik dat koffie drinken ook een essentieel onderdeel van tuinieren is.
Dat klinkt beter dan toegeven dat mijn rug inmiddels officieel in staking is gegaan.
Landheer in mijn hoofd, tuinman in werkelijkheid
In mijn hoofd ben ik een waardige landheer.
Ik wandel rustig door de boomgaard.
Inspecteer de appelbomen.
Keur de druiven.
Mijn schoffel rust achteloos op mijn schouder als een veldmaarschalk die zijn troepen inspecteert.
De werkelijkheid is aanzienlijk minder indrukwekkend.
Mijn strohoed zakt voortdurend voor mijn ogen.
Mijn broek blijft achter een bramentak hangen.
Mijn rug kraakt bij iedere bukbeweging alsof ergens een oud zeilschip de haven verlaat.
En als ik eindelijk overeind kom, moet ik eerst zoeken waar ik de schoffel ook alweer heb neergelegd.
Vaak ligt hij gewoon naast mijn voet.
Je zou denken dat een mens daarvan leert.
Niet dus.
De natuur heeft altijd het laatste woord
Misschien is dat wel de grootste les die Montcourt me steeds opnieuw leert.
Je kunt plannen maken.
Lijstjes schrijven.
Werk verdelen.
Maar uiteindelijk bepaalt de natuur het tempo.
Zij beslist wanneer het regent.
Wanneer de appels rijp zijn.
Wanneer de zwaluwen vertrekken.
En wanneer de distels opnieuw denken dat ze eigenaar van het erf zijn.
Dat besef maakt een mens opvallend bescheiden.
Je bent hier geen regisseur.
Je hebt hooguit een figurantenrol.
En eerlijk gezegd is dat helemaal niet erg.
Een mooie dag in Montcourt
De regen hield op.
Alsof iemand boven de kraan weer dichtdraaide.
De zon brak opnieuw door en toverde duizenden kleine lichtpuntjes op de bladeren. Een merel schudde zijn veren uit. De lucht rook fris en schoon. Het erf dampte zachtjes na.
De schuur was nog steeds een rommeltje.
De tuinkussens lagen veilig binnen.
De distels maakten ongetwijfeld plannen voor morgen.
En ik?
Ik stond daar zomaar even te kijken.
Dankbaar.
Omdat een onverwachte regenbui veel meer doet dan de grond nat maken. Hij spoelt ook het stof van je gedachten. Hij laat je opnieuw zien hoe mooi eenvoud kan zijn. Een warme zomerse bui, de geur van natte aarde, de herinnering aan mijn vader en zijn nuchtere woorden: "Een buitje voor het stof."
Morgen zal ik weer met veel te veel zelfvertrouwen de moestuin in lopen. Ik zal de schoffel oppakken alsof ik een veldslag ga winnen. De distels zullen me vriendelijk aankijken en waarschijnlijk alweer een paar centimeter gegroeid zijn. Mijn rug zal protesteren, mijn koffie zal steeds lekkerder smaken en tegen de middag zal ik concluderen dat de natuur opnieuw heeft gewonnen.
En toch voelt dat helemaal niet als verliezen.
Want in Montcourt draait het niet om de strijd tegen regen, onkruid of de tijd. Het gaat om meedoen. Om deel uitmaken van een ritme dat al eeuwen bestaat. De ene dag ben je de trotse heer van je eigen kleine domein, de volgende dag word je door vier tuinkussens en een stel overmoedige distels weer met beide benen op de grond gezet.
Dat is misschien wel de ware grandeur van het platteland: ontdekken dat je jezelf gerust even koning mag voelen, zolang je maar kunt lachen wanneer de natuur je vriendelijk herinnert dat zij de kroon al lang draagt.
Reacties