De belofte van fruit in onze boomgaard in Montcourt
Vanmorgen leek de wereld nog gewoon. De lucht hing stil boven de boomgaard, alsof zelfs de wind begreep dat sommige dagen niet gehaast mogen worden. We liepen tussen de rijen bomen door, zonder plan, zonder haast — alleen geleid door de zachte belofte van wat komen gaat. De kersen hingen er al, met een rode blos op hun wangen, alsof de zomer hen een geheim had toegefluisterd. Nog niet helemaal rijp, nog net in afwachting. De pruimen droegen hun toekomst voorzichtig aan dunne takken. Mirabellen glansden als kleine zonnen in wording. En de appels... de appels waren nog in ontwikkeling, nog klein, nog zoekend naar hun vorm, alsof ze zelf nog niet wisten wie ze zouden worden. En daar, tussen al dat groeien, gebeurde iets groots in stilte. Niet het soort grootsheid van paleizen, koningen of trompetgeschal. Nee. De grandeur van het leven zelf. Van seizoenen die terugkeren zonder applaus. Van bomen die jaar na jaar blijven geven, zelfs nada...