De belofte van fruit in onze boomgaard in Montcourt
Vanmorgen leek de wereld nog gewoon.
De lucht hing stil boven de boomgaard, alsof zelfs de wind begreep dat sommige dagen niet gehaast mogen worden.
We liepen tussen de rijen bomen door, zonder plan, zonder haast — alleen geleid door de zachte belofte van wat komen gaat.
De kersen hingen er al, met een rode blos op hun wangen, alsof de zomer hen een geheim had toegefluisterd. Nog niet helemaal rijp, nog net in afwachting.
De pruimen droegen hun toekomst voorzichtig aan dunne takken.
Mirabellen glansden als kleine zonnen in wording.
En de appels... de appels waren nog in ontwikkeling, nog klein, nog zoekend naar hun vorm, alsof ze zelf nog niet wisten wie ze zouden worden.
En daar, tussen al dat groeien, gebeurde iets groots in stilte.
Niet het soort grootsheid van paleizen, koningen of trompetgeschal.
Nee.
De grandeur van het leven zelf.
Van seizoenen die terugkeren zonder applaus.
Van bomen die jaar na jaar blijven geven, zelfs nadat de winter hen kaal en kwetsbaar achterliet.
Van de aarde die onder onze voeten onverstoorbaar haar eeuwenoude werk blijft doen.
Het voelde alsof de boomgaard een kathedraal was.
Geen muren van steen, maar zuilen van stammen en een dak van bladeren waar licht in gouden stukken doorheen viel.
En wij waren slechts bezoekers — klein, tijdelijk — wandelend door een heiligdom van groei en tijd.
Misschien raakte dat wel het meest: dat alles nog onderweg was. Niets af. Niets op zijn hoogtepunt. En toch was het al prachtig.
Want soms komt de zomer niet met luid tromgeroffel aan.
Soms verschijnt ze eerst als een blos op een kers, als een jonge appel aan een tak, als een zacht besef in je hart:
de mooiste dingen kondigen zich fluisterend aan , lang voordat ze groots worden.
Reacties