Doorgaan naar hoofdcontent

Uitgelicht

De verdwijning van mijn witte Volkswagen Kever

De verdwijning van mijn witte Volkswagen Kever Een auto, een oom en een nogal bijzondere afwikkeling Een Kever met karakter In mijn vorige verhaal vertelde ik over mijn eerste auto, een witte Volkswagen Kever. Een auto die mij in mijn jonge jaren de vrijheid gaf om naar de Grafische MTS in Amsterdam te rijden, op zaterdag naar mijn baantje in Zaandam te gaan en zo nu en dan zonder enige bestemming achter het stuur te kruipen. Het was een Volkswagen Kever uit 1968, uitgerust met een elektrisch systeem van zes volt. Tegenwoordig klinkt dat misschien alsof je een museumstuk probeert te starten, maar destijds was het gewoon mijn auto. En daar was ik best trots op. Ik had er heel wat aan gesleuteld. Want een auto van die leeftijd heeft zo zijn gebruiksaanwijzingen, al staan die niet altijd in een boekje. Soms ontdek je ze vanzelf, meestal op een moment dat het je helemaal niet uitkomt. Ook mijn Kever ontkwam niet aan de tand des tijds. De slijtage begon zich te manifesteren en op een gegeve...

De belofte van fruit in onze boomgaard in Montcourt

Vanmorgen leek de wereld nog gewoon.

 De lucht hing stil boven de boomgaard, alsof zelfs de wind begreep dat sommige dagen niet gehaast mogen worden.

 We liepen tussen de rijen bomen door, zonder plan, zonder haast — alleen geleid door de zachte belofte van wat komen gaat.

De kersen hingen er al, met een rode blos op hun wangen, alsof de zomer hen een geheim had toegefluisterd. Nog niet helemaal rijp, nog net in afwachting. 

De pruimen droegen hun toekomst voorzichtig aan dunne takken.

 Mirabellen glansden als kleine zonnen in wording. 

En de appels... de appels waren nog in ontwikkeling, nog klein, nog zoekend naar hun vorm, alsof ze zelf nog niet wisten wie ze zouden worden.

En daar, tussen al dat groeien, gebeurde iets groots in stilte.

Niet het soort grootsheid van paleizen, koningen of trompetgeschal. 

Nee. 

De grandeur van het leven zelf.

 Van seizoenen die terugkeren zonder applaus. 

Van bomen die jaar na jaar blijven geven, zelfs nadat de winter hen kaal en kwetsbaar achterliet. 

Van de aarde die onder onze voeten onverstoorbaar haar eeuwenoude werk blijft doen.

Het voelde alsof de boomgaard een kathedraal was.

Geen muren van steen, maar zuilen van stammen en een dak van bladeren waar licht in gouden stukken doorheen viel. 

En wij waren slechts bezoekers — klein, tijdelijk — wandelend door een heiligdom van groei en tijd.

Misschien raakte dat wel het meest: dat alles nog onderweg was. Niets af. Niets op zijn hoogtepunt. En toch was het al prachtig.

Want soms komt de zomer niet met luid tromgeroffel aan.

Soms verschijnt ze eerst als een blos op een kers, als een jonge appel aan een tak, als een zacht besef in je hart:

de mooiste dingen kondigen zich fluisterend aan , lang voordat ze groots worden.

Reacties